Bonifatius: oefening in vriendschap.
Bonifatius: oefening in vriendschap.

Lezing van Prof. A.J. Jelsma bij het open van het Bonifatiusjaar 


1.Inleiding
Allereerst wil ik mijn dank uitspreken voor de mogelijkheden die het bisdom Groningen mij schenkt om over de monnikmissionaris te praten die mij nu al zolang bezighoudt. Uit respect voor mensen die genoodzaakt zijn mij meermalen te beluisteren, heb ik mij voorgenomen telkens een andere invalshoek te kiezen. Vandaag is het onderwerp: Bonifatius, oefening in vriendschap. Wel lijkt het mij wenselijk een opmerking vooraf te maken. Het herdenken van figuren uit het verleden is een gecompliceerde bezigheid. Een herdenking heeft alleen dan zin, als het niet alleen om archeologische feitjes gaat maar als wij zelf daarin kunnen meekomen. Het is inderdaad vooral aan Bonifatius te danken geweest dat de christelijke godsdienst hier de overhand gekregen heeft.


1.Inleiding
Allereerst wil ik mijn dank uitspreken voor de mogelijkheden die het bisdom Groningen mij schenkt om over de monnikmissionaris te praten die mij nu al zolang bezighoudt. Uit respect voor mensen die genoodzaakt zijn mij meermalen te beluisteren, heb ik mij voorgenomen telkens een andere invalshoek te kiezen. Vandaag is het onderwerp: Bonifatius, oefening in vriendschap. Wel lijkt het mij wenselijk een opmerking vooraf te maken. Het herdenken van figuren uit het verleden is een gecompliceerde bezigheid. Een herdenking heeft alleen dan zin, als het niet alleen om archeologische feitjes gaat maar als wij zelf daarin kunnen meekomen. Het is inderdaad vooral aan Bonifatius te danken geweest dat de christelijke godsdienst hier de overhand gekregen heeft. Hij heeft er een bepaald stempel op gedrukt. Denkbeelden die hij hartstochtelijk verdedigde, zijn hierdoor in ons vlees en bloed geworden. Wij zullen ons de vraag moeten stellen, wat ze ons nog waard zijn, of ze niet te overheersend geworden zijn waardoor andere accenten verwaarloosd werden. Tegelijk mogen we hem niet te gemakkelijk annexeren. Willen we hem op een zinvolle wijze gedenken, dan zullen we ook in rekening moeten brengen dat hij ons vreemd blijft. Hij is niet één van ons. Hij is van toen, niet van nu. Soms wordt een herdenking namelijk benut om bepaalde ideeën van onszelf door te drukken. Dan kneden wij de te herdenken figuur naar ons beeld en gelijkenis. Ik vind dat een gebrek aan respect. Kortom, stilstaan bij Bonifatius heeft alleen zin als wij ook stilstaan bij onszelf. Maar wij mogen hem hierbij niet naar onze hand zetten. We mogen hem niet voor ons karretje spannen. Wij dienen ook zijn vreemdheid te respecteren. Alleen dan dringen we tot hem door. Alleen zo kan een herdenking werkelijk zinvol zijn. 

2.De invalshoek
Bij de lezingen die ik in deze periode over Bonifatius houd, probeer ik dus steeds een ander uitgangspunt te kiezen, om niet in herhaling te vallen, maar ook om hierdoor zelf meer inzicht te krijgen in zijn persoonlijkheid en wat hij nog voor ons betekenen kan. Voor vandaag heb ik het thema ‘vriendschap’ gekozen. Dat is natuurlijk niet toevallig. Uit zijn briefwisseling blijkt zonneklaar dat hij grote waarde hechtte aan het onderhouden van vriendschappelijke contacten. Het is niet vanzelfsprekend dat hij dit deed. Er zijn maar weinig mensen uit die periode van wie brieven bewaard zijn. (Van Willibrord bij voorbeeld hebben we niets, afgezien van een kanttekening in een kalender.) Dat is ook zo verwonderlijk niet. Niet iedereen kon het zich permitteren om brieven te schrijven. Je moest bij voorbeeld het Latijn goed onder de knie hebben. De eigen taal leende zich niet voor een briefwisseling. Die was nu eenmaal geen schrijftaal. En je moest er bovendien zeker van zijn dat de mensen aan wie je schreef het Latijn ook beheersten en dat zij lezen konden. Pas als aan deze voorwaarden voldaan werd, kon een briefwisseling tot stand komen. Het vergde dus nogal wat voordat mensen er toekwamen om brieven te schrijven. Dat deed je alleen als het beslist noodzakelijk was om te kunnen functioneren of als je er dringend behoefte aan had om op die manier het contact met de mensen die je had leren kennen te onderhouden. Die behoefte kent niet iedereen. Dat is immers nog steeds zo.

Veel mensen hebben er genoeg aan om op de situatie zoals die zich aan hen voordoet te reageren. De directe verbanden tellen meer dan de contacten die in een vroegere periode ontstaan zijn. Bonifatius hechtte zich kennelijk zo sterk aan de mensen die hij in zijn leven had leren kennen dat hij hen niet kwijtraken wilde. Is dat niet een vereiste van vriendschap? Hij bleef zich voor hen interesseren. Hij wilde graag zijn sores met hen delen. En omgekeerd waren zijn briefpartners er kennelijk ook op gebrand de relatie met hem te onderhouden. Zo bleven zij deel van zijn leven uitmaken. Hij trainde zich in het onderhouden van de contacten. Hoe druk hij het had als missionaris, als pauselijk legaat, als aartsbisschop, als abt, altijd maakte hij tijd voor het schrijven van brieven. En dat terwijl ook het verzenden van een brief aanzienlijk lastiger was dan in onze tijd het geval is. Dat was vaak afhankelijk van anderen die op hun reis toevallig in de buurt van de geadresseerden kwamen. Wie de briefwisseling van Bonifatius met zijn vrienden, met collega` s, met pausen analyseert, ontdekt al gauw dat er ook brieven verloren zijn gegaan. En dan toch een verzameling van meer dan honderd brieven. Dat wil wat zeggen. Het leek mij dus goed om bij deze gelegenheid oefening in vriendschap als onderwerp te kiezen. 

3.De traditie van vriendschap
Er is trouwens nog een reden om bij de herdenking van Bonifatius juist dit onderwerp te kiezen. Bonifatius was, zoals u weet, een monnik. Hij was zoals dit met de meeste kloosterlingen in die tijd het geval was al op heel jeugdige leeftijd uit zijn familie geplukt en in een klooster opgenomen. Dat klooster vormde hierdoor een vervanging van het familieverband. Die kinderen werden in de traditie van het kloosterleven opgevoed. Bepaalde thema` s waren daar favoriet geworden. Welnu, we treffen in de middeleeuwse kloostertraditie ook nogal wat verhandelingen over vriendschap aan. Voordat we op de positie van Bonifatius zelf ingaan, is het daarom misschien van belang de grote lijnen van deze bezinning onder ogen te zien. Van daaruit kunnen we dan nagaan, hoe Bonifatius met dit thema omgegaan is en tenslotte wat wij hiervan kunnen leren.

Dat juist die middeleeuwse monniken over de waarde van vriendschap geschreven hebben, ligt voor de hand. Zij waren in die tijd vrijwel de enigen die het schrift beheersten. Zij waren bovendien verstoken van de relaties die andere mensen wel kenden, met hun huwelijkspartner, met hun kinderen, met de familie, met de clan. Zij waren in de kloostergemeenschap op heel andere wijze op elkaar aangewezen. Zij moesten het met elkaar zien te redden. Zij moesten leren, hoe zij in deze specifieke gemeenschap met hun behoefte aan saamhorigheid en gevoelens van eenzaamheid om moesten gaan. In hun bezinning over de waarde van vriendschap worden dan ook verschillende trends zichtbaar.

Onderkend wordt doorgaans wel, dat ook in het besloten karakter van de kloostergemeenschap sympathieën en antipathieën konden voorkomen. Dat werd meermalen als een probleem gezien. Als dit al te nadrukkelijk tot uiting kwam, kon dit binnen de gemeenschap immers kliekvorming tot gevolg hebben, met alle negatieve gevolgen van dien. En, zo vroeg men zich af, behoorde het niet tot de plicht van alle leden van de communiteit elkaar evenveel lief te hebben? Vergde de navolging van Christus niet, zoals dit volgens het evangelie (Matt. 10) door Jezus zelf verwoord werd, dat wij bereid moeten zijn afstand te doen van alle specifieke bindingen? ‘Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder, en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn. Wacht u voor de mensen.’ Waren het niet juist zulke bijbelwoorden die mensen ertoe gebracht hadden, in hun behoefte zich met Christus te verenigen, om de natuurlijke verbanden te verbreken en zou het dan binnen het klooster wel weer acceptabel worden dat mensen speciale bindingen aangingen? Het is geen wonder dat hierop meermalen negatief gereageerd werd.

Dit blijkt ook uit een citaat dat wij in de literatuur regelmatig tegenkomen. Het is nota bene van een heidense auteur. U zult begrijpen dat die monniken over het algemeen terughoudend waren in het citeren van heidense auteurs. Maar dat ene citaat mocht. Het is een zinsnede uit een brief van de Romeinse schrijver Seneca. Ik citeer de zin uit het boekje van Thomas van Kempen ‘De navolging van Christus’. ‘Een zeker iemand heeft eens gezegd: Steeds als ik onder de mensen geweest ben, kwam ik minder menselijk terug.’ (I, XX, 1, 2) In datzelfde hoofdstuk poneert Thomas ook: ‘De grootsten onder de heiligen vermeden, waar zij het konden, de omgang met mensen; liever verkozen zij God te dienen in eenzaamheid.’
Ik heb de indruk dat die kritische houding ten opzichte van vriendschappen in de latere middeleeuwen zelfs sterker werd. Steeds groter werd de behoefte zich met de lijdende Christus te vereenzelvigen, die immers ook door allen verlaten werd toen het er echt op aankwam. De Christusdevotie werd zo allesbeheersend dat er geen ruimte meer over leek voor specifieke vriendschappen.
Toch bleef er een andere traditie levend. Die ging terug op de grote kerkvader Augustinus, die zo` n drie eeuwen voor Bonifatius leefde. Ook Augustinus wordt volgend jaar trouwens herdacht. Dan is het namelijk 1650 jaar geleden dat hij geboren werd. Augustinus had behoefte aan vriendschap. Altijd was hij omringd door vrienden. Hij kon niet zonder die innige band, zonder die gevoelsmatige beleving. In zijn bekende autobiografie ‘Belijdenissen’ vertelt hij bij voorbeeld wat het voor hem betekende toen een vriend van hem op jeugdige leeftijd stierf. Het is te indrukwekkend om er niet een gedeelte uit te citeren. ‘Toen ik pas begonnen was met het geven van onderwijs in mijn geboortestad, had ik een vriend gekregen die mijn belangstellingen deelde en mij bijzonder lief was. Het was een heerlijke vriendschap, gerijpt in de gloed van gelijksoortige belangstellingen. Mijn ziel kon niet meer zonder hem. Maar zie, Gij, o God, hebt die mens toen uit dit leven weggenomen, nadat hij nauwelijks een vol jaar had geleefd in die vriendschap met mij, die zoet was voor mij boven al het zoete van mijn toenmalige leven. Het verdriet hierover hulde mijn hart in duisternis. Waar ik maar keek, was de dood. Aan alle kanten zochten mijn ogen naar hem maar ze vonden hem niet. Alle dingen wekten mijn weerzin op, omdat ze hem niet terugriepen. Waar ik nog het meest mijn steun en mijn herleven in vond waren de vertroostingen die andere vrienden mij gaven.’ 

Zo` n man was Augustinus. ‘Twee dingen zijn noodzakelijk in deze wereld’, schreef hij ergens, ‘het leven zelf en de vriendschap’. Hij vond vriendschap zo essentieel dat hij schrijven kon:’ Men kan niemand echt kennen dan door vriendschap’. Deze positieve opvatting vond navolging. In deze lijn schreef de cisterzienser abt Aelred van Hexham die weer ruim drie eeuwen na Bonifatius leefde, (1110-1167) zelfs een heel boek over ‘De geestelijke vriendschap’. Hij onderkende overigens het gevaar van kliekvorming wel. Hij vond dat risico minder groot dan het voordeel. ‘Ook als wij opgeroepen worden allen lief te hebben, is het gepast enkele vrienden te hebben aan wie wij zonder vrees ons hart toevertrouwen’, schreef hij.

Waarom vonden mensen zoals Augustinus en Aelred het voordeel groter dan het nadeel? Wat zagen zij als de waarde van zulke innige relaties? Dit werd nader uitgewerkt door een andere monnik, Gerard Zerbolt van Zutphen, die net als Thomas van Kempen tot de hervormingsbeweging van de Moderne Devotie behoorde. In zijn werkje ‘Over de hervorming van de krachten van de ziel’, legde hij uit hoe belangrijk het voor een mens is om goede vrienden te hebben. ‘Het helpt niet weinig’, schreef hij, ‘om tot innerlijke verheldering te komen, als u voor een van uw vrienden in een vriendschappelijk onderhoud uw hart in alle eerlijkheid opent en met hem van gedachten wisselt en hem om raad vraagt en beklag doet over de dingen die in u rondwoelen.’ Daar wordt een mens beter van, vond hij, helemaal in de lijn van Augustinus en Aelred.

Wel gaat het volgens al die geciteerde auteurs om een bepaald soort vriendschap, die geënt is op een vriendschappelijke relatie met God, een vriendschap tussen mensen die een zelfde interesse kennen, een vriendschap die dus niet ondermijnd wordt door eigenbelang of achterdocht. Echte vriendschap moet iets onbevangens hebben, een gerichtheid op het bevorderen van het welzijn van de ander. Echte vriendschap is een geschenk, is iets goddelijks, vonden zij. Aelred drukte dit alles nog het krachtigste uit met die drie simpele woorden: ‘Deus amicitia est’: God is vriendschap. Als we eenmaal onder ogen hebben gezien hoe vriendschap in het leven van Bonifatius gespeeld heeft, moeten we daar nog maar even op terugkomen. Dan wil ik nog wel de vraag stellen of dat hetzelfde is als dat woord uit het Johannes-evangelie: God is liefde. Maar dat komt later. Eerst dus Bonifatius,

4Vriendschap in het leven van Bonifatius
Er zijn dus meer dan honderd brieven van en aan Bonifatius bewaard gebleven. Ze zijn heel verschillend. Hij heeft de verschillende pausen die hij meemaakte brieven geschreven waarin hij hen niet alleen alle steun toezegde maar ook om raad vroeg. Die kreeg hij dan ook. Dit waren hierdoor uitvoerige epistels. Een van de Engelse vorsten ontving een brief van Bonifatius waarin deze hem uitfoeterde vanwege de schandalige levensstijl waardoor hij het christendom in diskrediet bracht en elke kans om na zijn dood nog in de hemel te komen wel vergeten kon. In een andere brief drong hij er bij zijn collega` s in Engeland op aan de nonnen tegen te houden die een pelgrimsreis naar Rome maken wilden. Ze komen nogal eens in een bordeel terecht, had hij geconstateerd. Er zijn zakelijke en heel persoonlijke brieven bij. Sommige brieven hebben wel wat van bedelbrieven weg. Maar in het kader van het onderwerp van vandaag beperk ik mij tot die brieven die er blijk van geven dat Bonifatius waarde aan intense vriendschappelijke relaties hechtte.

Het heeft mij getroffen dat het hierbij vooral om brieven van en aan nonnen ging. Er is eigenlijk maar een uitzondering, de bisschop van Winchester, Daniel. Bonifatius kende een bijzondere band met hem. Deze bisschop had hem menigmaal geholpen. Met zijn toestemming had Bonifatius zijn eerste reis naar de Friezen gemaakt. Toen die zich weinig van zijn evangelisatiepoging aantrokken, keerde hij ontmoedigd terug. De monniken van zijn klooster maakten hem toen tegen zijn zin tot abt. Maar met behulp van Daniel wist Bonifatius aan deze functie te ontsnappen en kreeg hij gelegenheid opnieuw naar het vasteland van Europa over te steken, nu om er tot zijn dood te blijven. Ook als bisschop bleef Bonifatius de band met Daniel aanhouden. Over en weer troostten ze elkaar, over de ontmoedigende ervaringen met vorsten en wereldsgezinde bisschoppen, over de lasten van de ouderdom. Maar de meest innige brieven wisselde Bonifatius met nonnen, van wie sommigen eerder ook les in Latijn en poezie van hem hadden gehad.

Ik geef enkele citaten. Zo geeft de abdis Egburg, die zichzelf als de laatste van Bonifatius` mannelijke en vrouwelijke leerlingen typeert, uiting aan haar warme gevoelens voor haar leermeester. ‘Weliswaar heb ik de band van uw liefde alleen in de innerlijke mens mogen proeven, maar deze smaak heeft zich zoet als honing aan mijn binnenste gehecht. En nu ik ook de lijfelijke aanblik die ik genoten heb, kwijtgeraakt ben, wil ik toch voortdurend uw hals met de armen van een zuster omhelzen, omdat ik u boven alle anderen van het mannelijke geslacht in oprechte liefde verkies. Geloof me, God is mijn getuige, dat ik u met de hoogste liefde omhels. U durf ik te vertrouwen, omdat u, zoals ik zeker weet, nooit de vriendschap vergeet die u voor mijn broer koesterde. Hoewel ik bij hem in kunde en verdiensten achterblijf, evenaar ik hem toch in mijn afhankelijkheid van uw genegenheid.’ (ep. 13) Er zullen weinig docenten zijn die zulke brieven van hun leerlingen ontvangen. Bonifatius stond dus bekend als iemand die trouw was in zijn vriendschappen, iemand op wie zijn vrienden en vriendinnen rekenen konden. De brief doet wat overtrokken aan. Daarom is het goed te weten dat haar positie na de dood van haar broer erg penibel geworden was. Ze wilde hem bovendien laten weten dat ze zijn lessen in het Latijn niet vergeten was. Haar brief is doorspekt met verwijzingen naar Latijnse auteurs. Maar toch, zij durfde het toch maar aan hem zo` n brief te sturen en uiting te geven aan haar warme gevoelens voor haar leermeester.

Het was niet vanzelfsprekend dat nonnen zich op een dergelijke wijze lieten gaan. Er waren trouwens niet zoveel mannen die zulke brieven verdienden. Vooral abdissen hadden vaak negatieve ervaringen van mannen te verwerken. Kloosters beschikten namelijk over land, over gebouwen, over geld. Abdissen die doorgaans tot de adellijke families behoorden hadden soms de grootste moeite hun kloosters tegen indringers te beschermen. In een openhartige brief aan Bonifatius liet de abdis Eangyth dan ook weten hoe zij over de meeste mannen dacht. Naast alle andere beproevingen waarmee zij als abdis geconfronteerd werd, had ‘de vijand van alles wat goed is de stinkende harten van de mannen met boosheid vergiftigd’. (ep. 14) Zij had de mannen in haar omgeving dus bepaald niet hoog. Wanhopig was zij op zoek gegaan naar een man die zij wel vertrouwen kon. ‘Ieder mens die vastgelopen is en zijn eigen beslissingen wantrouwt, zoekt zich een trouwe vriend op wiens raad hij zich durft te verlaten. Op hem stelt hij dan ook zo` n vertrouwen dat hij hem al zijn hartsgeheimen onthult. Daarom was het voor ons een behoefte zo` n trouwe vriend te zoeken, een vriend op wie wij ons nog meer verlaten dan op onszelf, die onze ellende en onze nood tot de zijne maakt, die met ons meelijdt, ons troost, met zijn woorden ondersteunt en opwekt.’ Dus kwam zij bij Bonifatius terecht. ‘Lang hebben we gezocht en wij zijn ervan overtuigd dat wij in u de vriend gevonden hebben die wij verlangden, op wie wij hoopten.’ Dat zegt dus nogal wat dat zo` n abdis ervan overtuigd is dat zij op Bonifatius rekenen kon. Een bijzonder innige relatie kreeg Bonifatius met de non Leoba, die een jongere nicht van hem was. Weer was het initiatief van haar uitgegaan. Als jonge non verstout zij zich de aandacht van Bonifatius op zich te vestigen. Zij beroept zich op de vriendschap die tussen Bonifatius en haar inmiddels gestorven vader had bestaan. In haar brief vraagt zij hem of hij als een broer voor haar functioneren wil, ‘omdat ik niemand in mijn familie heb op wie ik met zoveel vertrouwen mijn hoop stellen kan’. (ep. 29) Bonifatius heeft bevestigend gereageerd. Later doet hij een beroep op de abdis van het klooster waar Leoba leefde, haar naar hem toe te zenden. Hij had kader nodig voor de door hem gestichte mannen- en vrouwenkloosters. Leoba geeft aan de oproep gehoor. Zij wordt abdis in het klooster Tauberbishofsheim en heeft daar als taak les in bijbelkennis en Latijn te geven. De vertrouwelijke relatie met Bonifatius bleef bestaan. Zij spreken zelfs af dat zij na hun dood in één graf begraven zullen worden. Inderdaad mocht Leoba later evenals Bonifatius zelf haar laatste rustplaats in het klooster Fulda vinden.

Bonifatius stak dus veel energie in het onderhouden van zijn vriendschappen. Dat zal ook strategische redenen gehad hebben. Die abdissen met wie hij in verbinding stond behoorden tot de hoogste kringen van het land. Zo` n netwerk van relaties bracht daarom ook voordelen met zich mee. Er vond ook een uitwisseling van geschenken plaats. Bonifatius probeerde via die weg voor hem belangrijke boeken te verkrijgen. Maar dat was niet de hoofdzaak. Mensen vertrouwden hem en genoten van zijn gezelschap. En het waren vooral vrouwen die daar het vurigst blijk van gaven. Ik ken geen andere man uit de middeleeuwen die zulke innige brieven ontving en zich daar ook zo weinig voor geneerde dat ze bewaard gebleven zijn. Dat is heel bijzonder. Hij wist namelijk heel goed, hoe gemakkelijk verhoudingen scheefgroeien konden.

Ik heb me dan ook afgevraagd waarom hij het aandurfde zulke intieme relaties met vrouwen te onderhouden. Pas toen ik de 15 preken analyseren ging die al in de middeleeuwen aan Bonifatius toegeschreven werden, begon ik het te begrijpen. (In een aparte uitgave heb ik de Nederlandse vertaling verzorgd, met toevoeging van inleiding en commentaar; het boekje verschijnt half december bij uitgeverij eSplanade; te bestellen tel. 035 5380290.) In een van die preken richtte de prediker zich uitdrukkelijk tot de geestelijke stand. Dat deed hij op een verrassende wijze. Het zal u niet onbekend zijn dat Bonifatius er grote waarde hechtte dat niet alleen monniken en nonnen maar ook wereldlijke geestelijken een celibatair leven zouden leiden. Dit was op dat moment niet vanzelfsprekend. Net als in de Grieks-Orthodoxe traditie waren ook in landen als Frankrijk, Italie en Spanje wereldlijke priesters vaak getrouwd. Zodra Bonifatius over voldoende macht beschikte, eiste hij van alle geestelijken dat zij de gelofte van het celibaat afleggen zouden. Waarom eigenlijk? Omdat zij volgens die preek op die manier alvast het leven van de engelen zouden gaan leiden. Engelen kennen ook geen seks. Dus als mensen voor de engelenstand kiezen willen, iets dat alle religieuzen behoorden te doen, dan dienen zij van alle seksuele relaties af te zien. Maar dat betekent ook dat zo in feite het onderscheid tussen mannen en vrouwen wegviel. Engelen kennen geen sekseverschil. 

Natuurlijk was het Bonifatius niet onbekend dat veel priesters zich niet aan het celibaat hielden. Zoals uit zijn brieven blijkt, was hij er ook van op de hoogte dat in vrijwel elk bordeel in het rijk der Franken voormalige nonnen te vinden waren. Hij veronderstelde ook dat in vrouwenkloosters abortus meermalen voorkwam. Vermoedelijk overdreef hij, maar het was onmiskenbaar dat niet alle religieuzen even standvastig in het onderhouden van het celibaat gebleven zijn. Er waren echter zowel mannen als vrouwen die dat wel presteerden. Aan hen kon Bonifatius dan ook volop zijn vriendschappelijke gevoelens kwijt. Van hen was hij er zeker van dat zij net als hijzelf het leven van de geslachtloze engelen leidden. Dus hoefden zij niet terughoudend te zijn in hun uitingen van wederzijdse liefde en vriendschap. Die vriendschappen koesterde hij. Steeds drong hij er bij zijn vrienden en vriendinnen op aan dat zij hem in hun dagelijkse gebeden aan God opdragen wilden, zoals hij dat ook zelf deed. Die gebedsgemeenschap vormde een onderdeel, vormde het hart van die vriendschap. Die gebedsgemeenschap vormde de telkens terugkerende onderhoudsbeurt voor de vriendschap. Die gebedsgemeenschap hielp om op het niveau van de engelen te blijven.

Bonifatius had dus ook in dit opzicht veel met Augustinus gemeen. Ook hij kon zich geen leven zonder vrienden voorstellen. Vriendschap beperkte zich echter wel tot die mensen, mannen en vrouwen, die een zelfde levensstijl kenden, die dezelfde idealen deelden. Zijn vriendschappen werden gekenmerkt door een gemeenschappelijke overgave aan God. Een verschil met Augustinus is vermoedelijk wel dat Bonifatius intense vriendschappen met vrouwen even hoog waardeerde als vriendschappen met mannen. In ieder geval zou hij geen moeite hebben gehad met die spreuk van Aelred: ‘Deus amicitia est’, God is vriendschap. Zoals beloofd zou ik nog op die spreuk van Aelred terugkomen. Wat is sterker, wat is inniger, de zegswijze ‘God is liefde’, zoals in het Johannes-evangelie verwoord werd of ‘God is vriendschap’. De laatste spreuk heeft in ieder geval het voordeel dat het begrip ‘vriendschap’ minder versleten is geraakt. En misschien geeft dat begrip beter dan het begrip ‘liefde’ aan dat voor zo` n innige relatie een gemeenschappelijk perspectief, gemeenschappelijke idealen vereist zijn. In feite zijn de begrippen inwisselbaar. Ze leggen hooguit een verschillend accent. Liefde wordt misschien iets meer gekenmerkt door overgave, vriendschap door inzet en dienstbaarheid. Voor beide geldt dat ze onderhoudsbeurten nodig hebben, dat ze gezocht moeten worden, dat mensen er open voor moeten staan. Ook vriendschap vergt net als liefde oefening, energie, aandacht en tijd. Het leven van Bonifatius bewijst hoezeer het de moeite waard is vriendschap te zoeken en te onderhouden. Twee dingen zijn onontbeerlijk in deze wereld: het leven en vriendschap. Je hoeft er overigens, anders dan Bonifatius meende, geen engel voor te worden om vriendschap te kennen. Ook binnen een huwelijksrelatie en in gezinsverband is het gelukkig mogelijk die geestelijke vriendschap te kennen waarvoor Bonifatius op zijn wijze het pleit heeft gevoerd. Ook daar mogen mensen ervaren dat, om nog een keer op die spreuk van Aelred terug te komen, zij in vriendschapsrelaties haast als vanzelf de bron van het bestaan leren kennen. God is vriendschap. 

5.Zoals ik in het begin beloofde, zou ik aan het slot bij wijze van samenvatting nog enkele punten aanstippen zou.
Om te beginnen, het is goed ons te realiseren dat herdenken een kunst apart is. Te vaak annexeren we de man of de vrouw die herdacht wordt. Ik vind dat een gebrek aan respect voor de doden.
In de tweede plaats, Bonifatius schreef en ontving veel hartverwarmende brieven, omdat hij onderdeel van een netwerk van vrienden was. Ook wij doen er goed aan daaraan zorg te besteden. De huidige technologische ontwikkelingen maken het ontwikkelen van echte vriendschap lastiger, maar bieden gelukkig op nieuwe kansen. Tn de derde plaats blijft het wel van belang te onthouden dat die kloostertraditie ook een essentieel punt benadrukt heeft. Niet zonder reden heeft Jezus familierelaties ondergeschikt gemaakt aan een geestelijke verwantschap. Gelukkig is ook in familieverband een geestelijke verwantschap mogelijk. Wel verdient het aandacht dat er een spanningsveld kan ontstaan tussen de liefde voor allen en de specifieke verbondenheid met enkelen.
In de vierde plaats, zowel Augustinus als Bonifatius konden niet leven zonder vriendschap. Eigenlijk behoort ieder mens op zijn minst een buddy hebben. Dit geldt niet alleen voor aids-patienten of stervenden. Veel geestelijke ontreddering kan door goede vriendschap voorkomen worden. In de vijfde plaats, dankzij zijn opmerkelijke opvatting over de betekenis van het celibaat was Bonifatius in staat op gelijke wijze met mannen en vrouwen om te gaan. Het heeft dan toch waarde een leven als de engelen na te streven.
Tenslotte, Bonifatius hechtte grote waarde aan een gebedsgemeenschap. Dit verdient nog steeds navolging. Het heeft een gunstig effect om elke dag op positieve wijze een aantal mensen voor Gods aangezicht te plaatsen. Wie goed over anderen denkt, komt eerder God op het spoor. God is immers vriendschap.

Ik dank u voor uw geduld.

Bergum

Burgum

Dokkum

Dokkum

schiermonnikoog

Schiermonnikoog

Newreader

Inhoudsopgave