Kerstening en kerkstichting in Friesland.
Kerstening en kerkstichting in Friesland.


Veel van wat over Bonifatius wordt geschreven, handelt over zijn rol op Europees niveau, over zijn relatie met de Frankische koning, de Frankische bisschoppen, de kerk van Rome en over zijn organisatorische werk bij de uitbouw van de kerkelijke organisatie in het midden van het huidige Duitsland. Wat is zijn band met Friesland? In Friesland werd hil doodgeslagen; dat was trouwens iets anders dan vermoord


--- 
Wat heeft Bonifatius, behalve dan door zijn dood, nu eigenlijk betekend voor de kerstening van Friesland? Een vergelijking met de andere missionarissen/in Friésland dringt zich op: vóór hem Willibrord (+739), en na,hem Willehad (+789) en Liudger (+809).
Met Willibrord en Willehad had Bonifatius gemeen dat zij alledrie als
"pelgrims" hun geboorte land in Engeland verlieten om ver weg de zending te bedrijven. Abraham en de apostelen dienden daarbij als inspiratie: 'Ga uit uw land en uit uw familie en uit uw vaders huis naar het land ,dat ik u wijzen zal' en 'Gaat dan heen en onderwijst alle volkeren' was daarbij het motto. Een (schijnbare) paradox, waarop al vaak is gewezen, is dat een succesvolle kerstening niet kon plaats hebben zonder 'netwerk' van vrienden en verwanten en zonder inkomsten uit grootgrondbezit.
Willibrord werd in 695 tot aartsbisschop van de Friezen gewijd. In 719 kwam door de dood van de heidense Friese koning Radbod de weg vrij voor de kerstening vanuit Utrecht van de Friese landen tot aan het Vlie. Willibrord zelf heeft weinig eigen teksten nagelaten. We kennen zijn leven vooral door zijn levensbeschrijving en door bewaarde schenkingsbrieven van landerijen door vrome leken. Uit de schaarse berichten komt toch wel een duidelijk beeld naar voren: dat van een goede organisator, een goede netwerker, waarschijnlijk een beminnelijk mens.
Met de Frankische heersers, die vanuit het zuiden bij stukje en beetje het Friese gebied aan zich wisten te ontwerpen, stond hij op goede voet. In het huidige Noord-Brabant, in Rijnland en in Luxemburg wist hij van hen en ook van vele leden van de locale elite uitgebreide domeinen te verkrijgen. Daarop stichtte hij verschillende kloosters ondermeer Echternach, en ook parochiekerken.

In Noord-Nederland handelde hij op dezelfde wijze. Met een Friese adelsfamilie waaruit later Liudger zou stammen, in de Vechtstreek ten noorden van Utrecht ontwikkelde hij een grote vriendschap en vertrouwdheid.Op hun landgoed te Breukelen stichtte hij eveneens een kerk.

Toen 'Friesland' tussen Oude Rijn en Vlie - het huidige Holland- na koning Radbods dood in 719 ook onder Frankische heerschappij kwam, verkreeg hij ook daar landgoederen waarop hij de eerste kerken stichtte.

Belangrijk waren daar Velsen en Heilo. In het huidige Friesland, ten oosten van het Vlie, dat pas in 734 door de Frankische koning werd veroverd, heeft Willibrord waarschijnlijk geen kerken meer kunnen stichten; hij stierf reeds in 739.

Ook met zijn eigen familie in de omgeving van York was Willibrord tijdens zijn missie in Friesland contact blijvén houden. Na zijn dood zou zijn leven worden beschreven door de geleerde A1cuin, die eerst leiding had gegeven aan het 'familiekloostertje' dat Willibrords vader aan de monding de Humber had gesticht, vervolgens de domschool van York en de hofschool van Karel de Grote had geleid en uiteindelijk abt in Tours was geworden. Hij schreef het op verzoek van Beornrad, eveneens een verwant van stichting Echternach was. Ook Echter had toen nog het karakter van 'familieklooster'. Een andere verwant, Willehad, komt straks nog ter sprake. 

Bonifatius en Friesland
Ook Bonifatius was een Engelsman; ook hij nam vrienden mee op zijn missie. En ook had hij een goede band met de Frankische heersers.
Toch waren er verschillen. Terwijl Willibrord ondanks het weinige dat we over hem persoonlijk weten als een aangename persoon naar vroen treedt, lijk Bonifatius een mateloos ambitieuze en bovendien zure man te zijn geweest.
Veel meer dan Willibrord was hij een 'Rooms' geestelijke, afkerig van de eigen tradities in de Engelse en de Frankische kerk. Zijn be-waarde correspondentie staat dan ook vol met onverdraagzaam geklaag over de oriëntatie van minder op Rome gerichte geestelijken. Moet de promotie van 2004 als Bonifatius-jaar door de Nederlandse kerkprovincie tegen die achtergrond worden geplaatst?
Op school leerden wij dat Bonifatius in Utrecht de opvolger van Willibrord was als bisschop van de Friezen. Dit blijkt, goed beschouwd, een misvatting te zijn, waarvoor Bonifatius zelf een der verantwoordelijken is. Inderdaad was hij in zijn jonge jaren werkzaam in de Friese zending als helper van Willibrord; omstreden is hoelang. Toen Willibrord hem in 722 vroeg zijn koorbisschop in Utrecht, zijn 'belangrijkste helper, te worden weigerde hij echter, omdat hij zijn toekomst afhankelijk stelde van de paus. Wilde hij uit Willibrords schaduw treden?
Voorlopig zou Bonifatius dan ook weinig met Utrecht en Friesland te maken hebben. Zijn leven speelde zich zuidelijker af. Van de paus ontving hij een zelfstandige missieopdracht en in Hessen, Thüringen en Beieren wist hij in korte tijd een kerkelijke organisatie met verschillende kloosters - het belangrijkste was Fulda -, bisdommen en parochiekerken, uit de grond te stampen; hij werd daarbij gesteund door de Frankische heersers en regionale vorsten. Daarna richtte hij zijn ambities op de Frankische kerk; hij drong aan op een leven dat meer in overeenstemming was met de regels van Rome. Toen hij daar door zijn felle optreden velen tegen zich in het harnas had gejaagd, verloor hij zelfs de steun van de Frankische heersers die hem tot dan toe hadden gesteund.

Hij verspeelde daardoor ook zijn kans op de aartsbisschoppelijke zetel in Keulen. De realisatie van een oude ambitie, de kerstening van Friezen en Saksen, die formeel tot de opdracht van de kerk van Keulen behoorde werd daardoor ernstig bemoeilijkt. Hij trachtte de schade te beperken door in een brief aan de paus een continue zelfstandigheid sinds Willibrord van de Utrechtse kerk te postuleren en zo de Keulse aanspraken op deze kerk te ondergraven. het jaar daarop ging hij alsnog - voor het eerst! - naar Friesland te oosten van het Vlie. Anders dan Willibrord steeds had gedaan, had hij in dit nieuwe missiegebied echter niet geïnvesteerd in het leggen van goede relaties met de plaatselijke elite. De rampzalige gevolgen kennen we.

Pas na de dood van Bonifatius werd er een eerste begin gemaakt met het stichten van kerken ten oosten van het Vlie. In Dokkum werd, met steun van de Frankische koning, een kerk gebouwd te zijner nagedachtenis. Over de verdere uitbouw van het parochiewezen tussen Vlie en Weser zijn geen expliciete berichten bewaard maar via een omweg kunnen uit latere gegevens over de kerken wel enkele hoofdlijnen worden getrokken. Illustratief voor Bonifatius geringe betrokkenheid bij Friesland is dat voor de conslolidatie van de kerstening wel de persoonlijke en institutionele netwerken van Willibrord, Willehad en Liudger van belang blijken, maar niet van Bonifatius.
De Bonifatiuskerk in Dokkum diende in de jaren 760-790 als Utrechtse missiepost in Friesland. Willehad, een verwant van Willibrord, Alcuin en Beornrad, gaf er jaren leiding aan. Hij onderhield goede betrekkingen met de regionale edelen, wier kinderen hij onderwees. Geruggesteund door het klooster Echternach, waarmee hij door zijn familie een hechte band had, stichtte hij kerken op Terschelling, Ameland en in Holwerd. Nog eeuwen zou Echternach daardoor de eigenaar zijn van deze kerken; de in Holwerd was gewijd aan Willibrord. Ten oosten van de lauwers mislukte Willehads zending echter.

Als leider van de Dokkumer Kerk werd Willehad opgevolgd door Liudger, uit de familie die twee generaties eerder in de Vechtstreek onderdak aan Willibrord had verschaft en die zich evenals Willibrords familie tot 'een geslacht van priesters' had ontwikkeld. Na 790 gelukte het hem wel ten oosten van de Lauwers - in Groningerland en Ostfriesland - de zending ter hand te nemen. In Leer en in Usquert stichtte hij kerken; in de laatste plaats genoot hij de gastvrijheid van een aanzienlijke weduwe. Tot aan de Reformatie zouden deze kerken horen onder de door Liudger gestichte bisschopskerk te Munster.

Met het andere door Liudger gestichte kerkelijke centrum, de abdij van Werden aan de Ruhr, behield Noord-Nederland eveneens nog lang betrekkingen. De aan Bonifatius gewijde kerk van Vries in Noord-Drenthe werd zo in 820 door een familielid van Liudger aan Werden geschonken. En in Groningerland en Ostfriesland verrezen in de tweede helft van de negende en in de tiende eeuw op Werdense grond eveneens kerken; zo bijvoorbeeld de aan Liudger gewijde kerk in Gamwerd aan het Reitdiep.

Ook indirect, via de door hem gestichte abdij Fulda, zijn er weinig
banden van Bonifatius met het Friese parochiewezen. Na zijn dood werden, vooral in de negende eeuw, door aanzienlijke Friezen veel vrome schenkingen aan die abdij gedaan. Deze werd daardoor een van de grootgrondbezitters in Friesland. In tegenstelling tot de Friese domeinen van de abdijen Echtemach en Werden werd dit grondbezit, met uitzondering van dat in Cornwerd, echter niet gebruikt voor de stichting van kerken. Hoe markant Bonifatius verder ook is geweest, voor de kerstening van Friesland ten oosten van het Vlie moet zijn belang niet overschat worden.

Drs. Paul N. Noomen
is medewerker nederzettingsgeschiedenis aan de Fryske Akademy

Bergum

Burgum

Dokkum

Dokkum

schiermonnikoog

Schiermonnikoog

Newreader

Inhoudsopgave